Deze kortgevelboerderij, gevestigd tegenover de entree, komt van oorsprong uit Beek en Donk. Deze boerderij moest daar wijken voor nieuwbouw. Enkele jaren geleden is deze steen voor steen afgebroken en weer opnieuw opgebouwd in het Boerenbondsmuseum. De oude gevelsteen rechts naast de entree refereert nog naar een van de oorspronkelijke bewoners (W. Peters, 1834). In deze gereconstrueerde boerderij is, net als vroeger, de Boerenleenbank in de "Goej Kamer" gehuisvest.

Geheel in stijl met het begin van de vorige eeuw is in deze boerderij, in de ‘goei kamer’ een boerenleenbank gevestigd. Rond 1900 ging het langzaam beter en ontstond er meer welstand. In deze periode ontstonden dan ook de eerste boerenleenbanken. En de eerste kassiers waren boeren die goed boerden en dus de middelen hadden om bijvoorbeeld een boerderij te verbouwen waardoor er meer ruimte ontstond.

De Boerenleenbank

In 1864 richtte Wilhelm Frederich Raiffeisen in Duitsland de eerste Boerenleenbank op, met als doel: armoedebestrijding door ontwikkeling van de boeren. Met de oprichting van de N.C.B. (Noordbrabantsche Christelijke Boerenbond) in 1896 kreeg Pater van den Elsen een organisatie waarmee aan de slag kon om de situatie van boeren te verbeteren. De doelstellingen van Van den Elsen waren verheven, maar realistisch, wat blijkt uit zijn woorden: “... den woeker te weren, den landman in zijn nood bij te staan, maar ook spaarzaamheid, naastenliefde, arbeidzaamheid en matigheid te bevorderen.”

Deze woorden sprak Pater van den Elsen bij de oprichting van de commissie Raiffeisenkassen met de taak, Boerenleenbanken op te richten. In 1897 en 1898 werden de eerste banken in Brabant opgericht en in 1899 werd de Coöperatieve Centrale Boerenleenbank in Eindhoven gesticht als koepel voor de kleine banken. Op 19 november van dat jaar ging Van den Elsen naar Milheeze voor een lezing over het nut van een Boerenleenbank. Hij stelde: ‘De Boerenleenbank werkt in principe heel eenvoudig: 'wat de een over heeft kan de ander tegen een lage rente lenen voor de aankoop van een paard, koe, grond of boerderij.’ Na deze uitleg werd door enkele mensen uit Milheeze ‘De Milheeze Boerenleenbank’ opgericht en deze was daarmee de 33e Boerenleenbank van Nederland. En de eerste in de (huidige) Gemeente Gemert-Bakel. Kassier van de bank werd Willem van den Boogaard. Hij stond borg (!) voor het geld en ontving hiervoor een jaarsalaris van 10 gulden.


(De eerste kassiers van de Boerenleenbank. Bron: Rabobank Canon)

Boeren werden aangespoord zoveel mogelijk geld naar de bank te brengen en kregen daarvoor 3% rente. Het spaargeld kon alleen op zondag aan de kassier worden gegeven en het kleinste bedrag dat gespaard kon worden was 25 cent. Het hoogste bedrag dat geleend kon worden was 200 gulden. De rente die betaald moest worden was 4%. In 1914 kreeg Bakel een eigen Boerenleenbank, gevolgd door Gemert in 1915, De Mortel (1923), De Rips (1929) en als laatste in onze gemeente (Pater van den) 

Hoe anders dan nu, maar geld werd in de beginjaren van de Boerenleenbank nog nauwelijks geleend. Men bezat het nodige schroom geld te lenen, want dat werd in die tijd toch als iets schandelijks gezien. Doordat er zo weinig werd uitgeleend kwam bijvoorbeeld de Gemertse Boerenleenbank in het eerste boekjaar in de rode cijfers (een verlies van fl. 127,95). Op deze manier zou de Boerenleenbank niet lang kunnen blijven bestaan. Daarom hield Pastoor Poell van Gemert een krachtig pleidooi om toch vooral ook te lenen en niet alleen te sparen. Hij stelde zichzelf als voorbeeld, door kenbaar te maken dat hij fl. 2.000,00 had geleend bij de bank. Maar hij zei er niet bij, dat hij het bedrag meteen weer bij de bank als spaargeld had ingelegd...

Vanaf 1919 ging het beter en werd er zoveel geleend dat boeren bang waren geworden dat het zo niet langer goed kon blijven gaan en besloten hun centen terug te halen bij de bank. Ook nu overtuigde Pastoor Poell de boeren, dat vooral niet te doen door te zeggen ‘ dat sparen verstandig is, want straks zul je het geld nodig hebben om een nieuw bedrijf te beginnen’.

Terug naar Museumgebouwen